Houd rekening met de realiteit van migranten

Pleidooi voor een coherent en complementair integratie- en ontwikkelingsbeleid

 

Beleidsdiscussies met betrekking tot internationale migratie draaien om drie hoofdthema’s: het beheersen van migratiestromen, de integratie van immigranten, en de effecten van migratie op de sociale, economische, politieke en humanitaire ontwikkeling in de landen van herkomst. Binnen al deze beleidsdimensies bestaat er een mismatch tussen wijzigingen die in de afgelopen jaren zijn doorgevoerd in beleid en de praktische realiteit. In het algemeen stel ik de volgende mismatches vast: allereerst is er een transitie gaande richting strengere migratiebeheersing, in weerwil van het feit dat veel bestemmingslanden behoefte hebben aan bepaalde arbeidskracht, die kan worden geleverd door migranten; ten tweede wordt bij integratiebeleid de fout gemaakt van een meer op assimilatie gericht perspectief, terwijl in een geglobaliseerde wereld meer dan ooit wordt geneigd naar meerdere identificaties; ten derde wordt van ontwikkelingsbeleid verwacht dat het emigratiestromen vanuit ontwikkelingslanden zal helpen terugbrengen, ondanks hard bewijs dat illustreert dat (humanitaire, sociale en economische) ontwikkeling in werkelijkheid juist leidt tot meer emigratie, daar individuen als gevolg van socio-economische ontwikkelingen meer middelen ter beschikking hebben om hun ambities te realiseren en elders op zoek te gaan naar een beter leven.

In deze context ben ik van mening dat de scenario’s die worden voorzien door beleidsmakers slechts in zeer beperkte mate gestoeld zijn op relevante aannames. Zoals ik hieronder zal betogen leidt migratie niet tot een lineaire integratietransitie van herkomst- naar bestemmingsland. Veel vaker geldt voor migranten een combinatie van oriëntaties vanuit het land van herkomst en het bestemmingsland (Levitt en Glick Schiller 2004). Zeker in een tijd van enorme ontwikkelingen op het gebied van communicatietechnologieën, snelle en goedkopere reismogelijkheden en een toenemende interactie tussen gemeenschappen in verschillende landen, kunnen migranten hun leven leiden op een manier waarbij zij voortdurend zijn verbonden met zowel hun bestemmingsland als hun land van herkomst. Om te komen tot coherent en complementair integratie- en ontwikkelingsbeleid is het cruciaal om dit perspectief mee te nemen in het debat.

Mijn doel in dit essay is daarom om de migratie- en ontwikkelingsnexus kritisch te evalueren en te heroverwegen, en om de manieren te bespreken waarop op onderzoek gebaseerd bewijs aanknopingspunten kan bieden voor meer coherent en complementair beleid met betrekking tot de integratie van immigranten en ontwikkelingsbeleid. Ik stel dat het rekening houden met de ervaringen van migranten in zowel het bestemmingsland als het herkomstland kan helpen om meer mogelijkheden te realiseren voor het versterken van de positieve effecten van migratie.

 

In de afgelopen decennia zijn discussies over de migratie- en ontwikkelingsnexus teruggekeerd op de agenda’s van academici en beleidsmakers. Hierbij wordt veel nadruk gelegd op het verminderen van de negatieve effecten van migratie, en het tegelijkertijd versterken van de positieve effecten van migratie op menselijke ontwikkeling op individueel niveau en sociaaleconomische ontwikkeling op nationaal niveau. Dit perspectief heeft geleid tot discussies over hoe het geld dat migranten terugsturen op een productieve manier kan worden aangewend, hoe ervoor kan worden gezorgd dat migranten meer investeren in hun land van herkomst en hoe bepaalde mechanismes kunnen worden verbeterd, zoals met betrekking tot het tijdelijk terugkeren ten behoeve van kennisdeling en het uitwisselen van ervaringen. Er wordt verwacht dat economische en sociale ontwikkeling via deze kanalen op verschillende niveaus kan worden bewerkstelligd, waaronder op het individuele, gemeenschaps-, en het nationale niveau. Wat opvalt in het debat over de migratie- en ontwikkelingsnexus is de neiging die beleidsmakers hebben om migranten te zien als ‘agents of development’, zonder rekening te houden met de voorwaarden waaronder migranten de ambitie en het vermogen hebben om deel te nemen aan activiteiten die hun migrantenervaring kan koppelen aan ontwikkelingsactiviteiten, ongeacht of het hierbij gaat om het micro- of het macroniveau.

Tot op heden is het beleid van economisch ontwikkelde bestemmingslanden dat als doel heeft om migratie en ontwikkeling te koppelen, uitgegaan van twee hoofdstrategieën. Allereerst richt het beleid zich op bepaalde migrantengroepen die worden gezien als beter toegerust en voorbereid om bij te dragen aan de ontwikkeling van hun land van herkomst. Ten tweede zorgt dit beleid voor het voorbereiden en verbeteren van praktische mechanismes die het voor migranten makkelijker moeten maken om betrokken te blijven bij hun land van herkomst en vervolgens op enigerlei manier bij te dragen aan de ontwikkeling van dit land. In het laatste geval kan worden gedacht aan het verbeteren van de formele kanalen waarlangs migranten geld kunnen terugsturen. Deze inspanningen zijn bedoeld om het makkelijker, sneller, goedkoper en veiliger te maken om geld te versturen van de ene naar de andere plek. Voor wat betreft het eerste geval kan worden gedacht aan het idee dat bepaald beleid en programma’s direct kunnen worden gericht op hooggekwalificeerde migranten of migrantenorganisaties, om hun potentie of reeds bestaande wens om bij te dragen aan hun land van herkomst te ondersteunen. Voorbeelden hiervan zijn capaciteitsopbouwprojecten in herkomstlanden, waarbij geschoolde en gekwalificeerde onderdanen die in het buitenland wonen betrokken zijn, of tijdelijke terugkeerprogramma’s die bedoeld zijn om de overdracht van kennis en vaardigheden naar herkomstlanden te verbeteren.1

Ondanks dat deze twee strategieën waardevol zijn, brengen zij de potentie van het koppelen van migratie en ontwikkeling maar beperkt naar voren. Een derde complementaire strategie dient gericht te zijn op het verbeteren van het economische, sociale en culturele welzijn van migranten in het land van bestemming. Alhoewel de integratie van migranten in het land van bestemming op zichzelf al belangrijk is, is het ook belangrijk voor de ontwikkeling van het herkomstland. Namelijk, enkel door het verbeteren van het welzijn van migranten in het land van bestemming kunnen migranten beter bijdragen aan de ontwikkeling in hun herkomstland.

 

Bij migratieonderzoek helpt een transnationaal perspectief om de levens van migranten te zien op een niveau hoger dan landsgrenzen. In tegenstelling tot conventionele theorieën over integratie, wordt migratie in de transnationale migratietheorie gezien als een ‘continuous flow of people, goods, money, ideas that transgress national boundaries and in so doing connects physical, social, economic and political spaces’ (Mazzucato 2005). Het is deze opvatting van connectiviteit of verbinding die de transnationale migratietheorie onderscheidt van eerdere theorieën over integratie. Met dit idee als uitgangspunt, ben ik geïnteresseerd in meerdere patronen en verschillende niveaus van socioculturele integratie en de transnationale betrokkenheid van migranten. In de afgelopen jaren heeft het onderzoeken van levens die tegelijkertijd zitten ingebed in, en afhankelijk zijn van verschillende contexten, centraal gestaan in mijn academische werk (zie Bilgili 2014, 2015, 2016; Bilgili en Siegel 2015a, 2015b; Sturge, Bilgili en Siegel 2016). De resultaten van mijn onderzoek in combinatie met het lopende debat onder transnationalistische academici illustreren de inherente verbanden tussen integratie en de betrokkenheid van migranten, die, zoals hieronder besproken, van vitaal belang zijn voor het behalen van ontwikkelingsdoelstellingen.

Wat betreft de relatie tussen integratie en transnationale betrokkenheid zijn in de literatuur verschillende concurrerende argumenten opgekomen. Een van deze argumenten legt de nadruk op een negatieve associatie tussen transnationale betrokkenheid en integratie in het bestemmingsland, omdat deze twee aspecten van de levens van migranten worden gezien als liggend op één continuüm. Onder deze aanname van ‘concurrentie’ geldt dat hoe beter een migrant integreert in het bestemmingsland, hoe minder hij of zij betrokken zou zijn bij het land van herkomst, en vice versa. Dit perspectief komt vooral van traditionele assimilationisten. Volgens de assimilationistische theorie is het waarschijnlijker dat migranten contact houden met hun herkomstland als ze niet succesvol integreren in hun bestemmingsland. Omgekeerd geldt dat als migranten ‘goed geïntegreerd’ zijn, ze geen prikkel hebben om contact te houden met hun land van herkomst (Snel et al. 2006; Sana 2005). Er wordt hierbij gedacht dat betrokkenheid bij activiteiten gericht op het land van herkomst de enige keuze is voor migranten die zijn ‘gemarginaliseerd’ in de maatschappij van het bestemmingsland (Portes 2003). Ik ben van mening dat het assimilationistische perspectief moet worden herzien, omdat uit de transnationale migratietheorie blijkt dat ook migranten die goed geïntegreerd zijn in hun bestemmingsland banden onderhouden met hun land van herkomst (Portes 2003).

In andere gevallen wordt er gesteld dat deze banden met herkomst- en bestemmingsland onafhankelijk van elkaar en naast elkaar bestaan. In dat geval zou er geen correlatie bestaan tussen deze banden, en kunnen we stellen dat oriëntaties die zijn gericht op zowel het herkomst- en bestemmingsland uitsluitend ‘compatibel’ met elkaar zijn. Het kan echter ook zo zijn dat ze positief afhankelijk zijn van elkaar, dat wil zeggen dat deze processen elkaar versterken en ‘complementair’ zijn (Morawska 2004; Levitt 2008; Levitt en Lamba-Nieves 2011). Dit perspectief impliceert dat ook migranten die goed geïntegreerd zijn in bestemmingslanden, banden onderhouden met hun herkomstlanden (Portes 2003), iets dat door voorstanders van de transnationale migratietheorie in verschillende studies is geïllustreerd. Guarnizo et al. (2003) stellen dat het bij migranten die deelnemen aan transnationale activiteiten niet gaat om de slecht opgeleide migranten. In tegendeel nemen juist migranten die relatief beter zijn opgeleid en ingebed in het bestemmingsland het meest deel aan activiteiten gericht op het land van herkomst, omdat zij de mogelijkheden hebben om dit te doen. Met andere woorden: migranten die beter zijn geïntegreerd zijn ook meer transnationaal betrokken, en vice versa (Levitt en Glick Schiller 2004).

De onderliggende veronderstellingen van deze tegenstrijdige standpunten leiden tot een verschillende conceptualisering van integratie, en daarmee ook van beleid. Als integratie en transnationale betrokkenheid worden gezien als onverenigbaar en concurrerend met elkaar, wordt het in principe veel moeilijker om geïntegreerde migranten te betrekken bij ontwikkelingsactiviteiten in hun land van herkomst. Zelfs als zij bijvoorbeeld nieuwe kennis en vaardigheden hebben die zij door middel van een tijdelijke terugkeer kunnen overbrengen naar hun herkomstlanden, zouden migranten volgens deze theorie geen prikkel hebben om betrokken te raken bij hun herkomstlanden, omdat hun levens volledig gericht zijn op hun landen van bestemming. Als integratie en transnationale betrokkenheid daarentegen als compatibel worden gezien, biedt dit mogelijkheden om de synergie tussen de twee oriëntaties te benutten. Enerzijds moedigt de wens of verplichting van migranten om geld op te sturen naar het land van herkomst hen aan om een baan te vinden in het land van bestemming en om harder te werken; anderszijds kan een migrant die zich in het bestemmingsland bezighoudt met zaken in de lokale gemeenschap, nieuwe manieren van burgerlijke betrokkenheid leren, en nieuwe waarden opdoen die hij of zij kan delen met de gemeenschap in het land van herkomst. Als deze opties door beleidsmakers worden gezien als reëel en waardevol, dan kan dit leiden tot de invoering van beleid en programma’s die zich richten op deze unieke punten, waarmee getracht kan worden om zowel integratie als transnationale betrokkenheid aan te moedigen. In de rest van deze sectie bespreek ik hoe mijn onderzoek bewijs heeft opgeleverd voor dit laatste perspectief en waarom ik pleit voor complementair integratie- en ontwikkelingsbeleid.

In hun onderzoek naar economisch transnationalisme stellen Itzigsohn en Saucedo (2002) dat economische integratie leidt tot de accumulatie van economische middelen die migranten in staat stellen om zich bezig te houden met activiteiten die zijn gericht op het land van herkomst. Al-Ali et al. (2001) betogen ook dat degenen die economisch beter geïntegreerd zijn, de mogelijkheid hebben om contact te houden met hun thuisland. Een baan geeft een vast salaris en de mogelijkheid om te sparen, en is daarmee de belangrijkste factor waarmee het vermogen van migranten om familieleden in het land van herkomst te helpen, kan worden vergroot. Uit mijn eerdere onderzoek naar de verbanden tussen economische integratie en het gedrag rondom het overmaken van geld naar herkomstlanden is op een vergelijkbare manier gebleken dat het een misvatting is dat betrokkenheid bij het land van herkomst door migranten in het buitenland een teken van machteloosheid, armoede en gebrek aan integratie zou zijn (Bilgili 2015). Van de eerste generatie migranten die naar Nederland kwam zijn juist degenen die meer betrokken zijn bij hun herkomstlanden actief en succesvol op de Nederlandse arbeidsmarkt (ibid.). In het bijzonder liet ik zien dat als migranten geen stabiele baan hebben, zoals banen met een tijdelijk contract of helemaal geen contract, het minder waarschijnlijk is dat zij geld terugsturen naar het herkomstland en dat zelfs als zij geld terugsturen dit gaat om kleinere bedragen. Meer in het bijzonder illustreerde de empirische analyse dat migranten met een vast contract ongeveer twee keer vaker geld sturen, en vijf keer vaker geld sturen voor investeringsdoeleinden in plaats van voor consumptie (ibid.).

Op basis van deze resultaten lijkt het erop dat migranten vrijwillig kiezen voor activiteiten gericht op het herkomstland, als zij hiervoor de mogelijkheden hebben. De economische betrokkenheid van migranten bij hun thuisland, die blijkt uit mijn onderzoek, weerlegt de aanname dat migranten puur vanwege hun belangen in hun herkomstlanden niet economisch integreren in hun bestemmingslanden. Dit beeld lijkt totaal onterecht te zijn, daar het huidige beeld laat zien dat juist degenen die actief zijn en goed presteren op de arbeidsmarkt de mensen zijn die meer betrokken zijn bij hun landen van herkomst. Deze resultaten maken het moeilijk om te stellen dat het niet mogelijk is dat migranten succesvol integreren in hun bestemmingslanden en zich tegelijkertijd voornamelijk richten op hun landen van herkomst. In dit opzicht is de belangrijkste conclusie die op basis van dit onderzoek kan worden getrokken dat economische integratie en economische betrokkenheid bij het land van herkomst elkaar niet uitsluiten (Levitt en Glick-Schiller 2004).

Op dezelfde wijze heb ik de verbanden onderzocht tussen socioculturele integratie en sociale relaties die worden onderhouden met familie en vrienden in het land van herkomst. Mijn onderzoek laat zien dat er niet genoeg bewijs is om te stellen dat er een negatief verband bestaat tussen de twee (Bilgili 2014). Het hebben van meer contact met de Nederlandse samenleving door middel van recreatieve activiteiten vertoont bijvoorbeeld geen negatieve relatie met betrokkenheid bij socioculturele activiteiten die zijn gericht op het land van herkomst. Onafhankelijk van de vrije tijd die wordt doorgebracht met Nederlanders, hebben migranten contact met familie en vrienden in de landen van herkomst of bezoeken zij deze landen (ibid.). Uit de resultaten blijkt ook dat migranten die meer contact hebben met Nederlanders niet minder vaak lid zijn van een vereniging in het land van herkomst of zich minder bezig zouden houden met media en kunst die gerelateerd is aan het land van herkomst (ibid.). Dit is het eerste resultaat dat illustreert dat betrokkenheid bij socioculturele activiteiten in het land van herkomst geen substituut is voor sociale integratie in Nederland en dat deze processen naast elkaar kunnen bestaan zonder elkaar negatief te beïnvloeden. Bovendien zijn migranten die lid zijn van een organisatie in Nederland, ceteris paribus, vaker lid van een organisatie in hun land van herkomst; en als een migrant zich meer bezighoudt met Nederlandse media en kunst, is de kans ook significant groter dat hij of zij zich ook meer bezig houdt met media en kunst ten aanzien van het land van herkomst (ibid.). Deze associaties suggereren dat migranten afhankelijk van hun wensen tijd kunnen maken voor beide contexten. Daarnaast blijkt dat het meer gericht zijn op het land van herkomst geen belemmering is voor sociale integratie in Nederland.

Gezien deze bevindingen is het belangrijk om te erkennen dat meer en meer mensen hun levens tegelijkertijd ‘hier’ en ‘daar’ leiden, en dat integratie succesvol is zolang migranten zelf hun leven kunnen inrichten. Vooral in de context van de hedendaagse geglobaliseerde wereld hoeft integratie migranten niet het recht van te ontnemen op het aanhouden van economische, culturele en sociale relaties met hun land van herkomst. Daarom stel ik voor om bij het bespreken van de mogelijke verbanden tussen migratie en ontwikkeling meer aandacht te besteden aan de rol van integratiebeleid. Het meenemen van integratiebeleid in het debat kan positieve gevolgen hebben voor alle partijen; voor zowel het herkomstland als het bestemmingsland, maar ook voor de migranten zelf.

 

Het koppelen van integratie- en ontwikkelingsbeleid is een nieuwe benadering van het migratie- en ontwikkelingsdebat, en dit zal zeker gepaard gaan met uitdagingen. Deze uitdagingen kunnen ons echter aanzetten om anders te gaan denken over de integratie van migranten en over welk gericht beleid de mogelijkheden en de ambities van migranten om bij te dragen aan hun land van herkomst kan verbeteren. Zoals ik hier bespreek overlappen integratiebeleid en ontwikkelingsbeleid op verschillende manieren, zoals op het gebied van burgerschapsbeleid, arbeidsmarktbeleid en beleid om burgers te betrekken.

De juridische status is van belang. Wanneer migranten het gevoel hebben dat ze in het bestemmingsland een stabiele rechtspositie hebben, en niet bang zijn om hun recht om terug te keren naar hun bestemmingsland kwijt te raken, reizen ze vaker terug naar hun land van herkomst. Het hebben van een dubbele nationaliteit vertoont een significant positief verband met het terugreizen, vergeleken met het hebben van slechts één nationaliteit (Bilgili 2014). Een dubbele nationaliteit is met andere woorden sterk gerelateerd aan meer mobiliteit, waardoor migranten tegelijkertijd in meerdere contexten kunnen zijn ingebed. Gezien het feit dat migranten bij tijdelijke bezoeken goederen en geld kunnen meebrengen en hun ervaringen, kennis en waarden kunnen delen met vrienden en familieleden in hun herkomstland, zijn de mogelijkheden rondom verblijfsvergunningen, zoals dubbele nationaliteiten, die het reizen makkelijker maken, voor migranten cruciaal. Vanuit een beleidsperspectief zijn dubbele nationaliteiten echter niet zo eenvoudig. In veel Europese landen worden dubbele nationaliteiten gezien als een bedreiging van de nationale identiteit en als ondermijning van staten (Koser 2007; Bloom en Feldman 2011). Om die reden moet een aantal uitdagingen worden erkend. Hoewel dubbele nationaliteiten belangrijk zijn en mogelijkheden en toegang bieden tot verschillende contexten, vormen deze dubbele nationaliteiten soms ook een bedreiging voor de belangen van bestemmingslanden en herkomstlanden. De beleidsuitdagingen hebben betrekking op de vraag welk land de verantwoordelijkheid draagt voor bepaalde aspecten in de levens van migranten (Levitt 2003; Faist 2010). Welk land is verantwoordelijk voor de bescherming en vertegenwoordiging van migranten en hoe moeten landen met elkaar communiceren om deze uitdagingen op te lossen? Het niet onderhandelen over deze sociale, economische en politieke rechten en verantwoordelijkheden leidt tot onzekerheid, wakkert het debat aan over de legitimiteit van het ingebed zijn in meerdere contexten en ondermijnt de cruciale koppeling tussen integratie en ontwikkeling.

Voor het migratie- en ontwikkelingsdebat dat sterk geconcentreerd is op economische ontwikkeling is het net zo belangrijk om in discussies aandacht te schenken aan economische integratie. Er zijn verschillende manieren waarop economisch integratiebeleid het ontwikkelingsbeleid kan aanvullen. Het verhogen van de werkgelegenheid, het aanpakken van overkwalificatieproblemen en het zorgen voor stabiele banen voor migranten is niet alleen cruciaal voor de algemene integratie op de arbeidsmarkt van het bestemmingsland, maar ook voor het vergroten van het financiële vermogen van migranten om geld op te sturen naar hun land van herkomst of om daar investeringen te doen. Beroepsopleidingen en andere typen vaardigheidstrainingen voor migranten kunnen bovendien worden gekoppeld aan tijdelijke terugkeerprogramma’s, waarbij de kennis van migranten een boost krijgt en er op tijdelijke basisvaardigheden worden overgedragen naar hun land van herkomst. Dergelijke programma’s kunnen zich ook richten op werkloze migranten, en migranten mogelijkheden bieden om contacten te onderhouden met hun herkomstland, en tegelijkertijd de druk op de arbeidsmarkt in het bestemmingsland te verminderen. Op een bepaalde manier zijn er flexibelere en meer innovatieve programma’s nodig die de behoeftes identificeren van aan de ene kant de migranten, en aan de andere kant de bestemmingslanden en de herkomstlanden.

Ook wat het sociale aspect betreft zijn er verschillende manieren waarop gericht integratiebeleid het vermogen en de bereidheid van migranten om meer te doen voor hun herkomstland kan vergroten en tegelijkertijd hun situatie in het bestemmingsland kan verbeteren. Wanneer migranten toegang hebben tot verenigingen, het recht hebben op hun eigen organisaties en actief betrokken raken bij politieke zaken in het land van bestemming, dan leren zij de knowhow van het land van bestemming kennen, interageren ze meer met instituties in het land van bestemming en worden ze blootgesteld aan nieuwe culturele en sociale situaties (Lindley 2009). Levitt (1998) stelt dat migranten die meer interageren met de maatschappij in het land van bestemming, meer leren over de verschillende eigenschappen van de nieuwe cultuur en intensiever reflecteren op bestaande praktijken.

In dit opzicht is het belangrijk om te erkennen dat migranten die in sociocultureel opzicht beter geïntegreerd zijn, beschikken over andere soorten kennis en informatie die zij kunnen delen met hun familie en vrienden in het land van herkomst. Migranten die een hoger niveau van socioculturele integratie hebben bereikt, kunnen worden beschouwd als ‘doelgerichte vernieuwers’ die actief nieuwe ideeën en praktijken absorberen om hun culturele repertoire uit te breiden. Gezien het verschil in hun aanpak, is deze groep waarschijnlijk veelzijdiger, productiever en innovatiever bij het overdragen van kennis en praktijken (Sturge, Bilgili en Siegel 2016). Dit betekent zeker niet dat co-etnisch georiënteerde migranten niets te bieden hebben om terug te geven. Integendeel, zelfs als zij hun ‘nieuwe wereld’ niet actief verkennen, kunnen ze nog steeds nieuwe ideeën en praktijken opnemen door ‘observing the world around them, listening to the how other describe it, or learn about it by reading the newspaper or watching television’ (Levitt 1998: 931). De band met hun etnische gemeenschap kan er echter wel voor zorgen dat ze zwakker zijn en minder middelen hebben. Wat vanuit een integratie- en ontwikkelingsperspectief essentieel is om te begrijpen, is dat migranten die meer interacteren met de maatschappij in het land van bestemming, meer kunnen leren over verschillende eigenschappen van de nieuwe cultuur en intensiever reflecteren op bestaande praktijken (Levitt 1998). Vandaag de dag is de interculturele dialoog in dit opzicht misschien nog wel belangrijker dan ooit tevoren, zowel voor maatschappijen die migranten ontvangen, als voor de migranten en hun herkomstgemeenschappen.

 

Er bestaat geen twijfel over dat internationale migratie en de implicaties hiervan de komende jaren op de politieke agenda zullen blijven staan. Migratie zal, als fenomeen dat verschillende dimensies van het leven overschrijdt en niet-migranten net zo raakt als migranten zelf, een centraal element blijven in discussies over de beheersing van migratiestromen, integratie, sociale cohesie en ontwikkeling. In dit essay heb ik gepoogd te beargumenteren dat er bij het nadenken over migratiegerelateerd beleid rekening moet worden gehouden met de manier waarop migranten hun levens leiden. De rol van globalisatie, nieuwe technologieën en sociale media bij het bevorderen van de connecties tussen individuen kan niet worden genegeerd. In dit tijdperk van hyper-verbondenheid en multiculturalisme is het onrealistisch om het hevig bekritiseerde concept van assimilatie naar voren te brengen en te verwachten dat migranten de band met hun land van herkomst verbreken, of het idee van dubbele loyaliteit te marginaliseren. Omgekeerd kan het tegelijkertijd ingebed zijn in twee contexten worden gezien als bron van rijkdom voor zowel de landen van herkomst als de landen van bestemming en de migranten zelf.

Tegen deze achtergrond heb ik beargumenteerd dat integratie- en ontwikkelingsbeleid kan worden opgesteld op een manier waar zowel het land van bestemming, het land van herkomst en de migranten zelf van kunnen profiteren, door serieuze aandacht te besteden aan de nieuwe manieren waarop migranten hun leven leiden. Dit houdt in dat, om migranten mogelijkheden te bieden en om hun vrijwillige sociale en economische overdrachten richting hun land van herkomst te verhogen, beleid gericht dient te zijn op de betere integratie van migranten door hen op te nemen in de maatschappij, en hun rechten uit te breiden, zodat ze meer kansen krijgen. Zoals hierboven besproken is de dubbele nationaliteit in dit opzicht een goed voorbeeld.

Bovenal dient de rol van het beleid gericht te zijn op het zorgen voor omgevingen die het vermogen van migranten om meer bij te dragen faciliteren. Ik geloof dat een betere dialoog tussen beleidsmakers, mensen uit de praktijk en academici, de sleutel is voor het verkennen van de punten waarop integratie- en ontwikkelingsbeleid elkaar raken. Anders gezegd kan niet al het beleid evenveel nadruk leggen op integratie en ontwikkeling. Bij het opstellen van beleid dienen de implicaties en mogelijke gevolgen hiervan echter wel goed te worden doordacht. Wat betreft het voorbeeld van de dubbele nationaliteit, en overheden die overwegen dit af te schaffen vanwege mogelijke implicaties voor sociale cohesie en integratie, stel ik dat we ook rekening houden met de drempel die dit voor migranten opwerpt om terug bij te dragen aan hun land van herkomst. Door de dubbele nationaliteit te ontmoedigen kunnen landen onbedoeld de belangrijkste kanalen voor het bijdragen aan de ontwikkeling in landen van herkomst afsluiten. Om ervoor te zorgen dat integratie- en ontwikkelingsbeleid als coherent en aanvullend gezien kan worden moeten beleidsmakers rekening houden met zulke implicaties, en op dezelfde manier rekening houden met langetermijngevolgen, als met gevolgen op de korte termijn. Kortom, coherent en aanvullend integratie- en ontwikkelingsbeleid moet voor beleidsmakers en praktijkbeoefenaars een leidend principe zijn. Dit principe kan aanmoedigen om ruimer te gaan nadenken over de implicaties van beleid, en hierbij onbedoelde effecten te voorkomen die op de lange termijn nadelige gevolgen kunnen hebben voor de levens van migranten, maar ook voor de landen van herkomst en bestemming.

Al met al leidt het apart behandelen van de integratie van migranten in het land van bestemming en de betrokkenheid bij transnationale activiteiten (bijvoorbeeld terugsturen van geld, tijdelijke terugkeerbezoeken) die zijn gericht op hun land van herkomst, tot een onvolledig beeld van migratie, en uiteindelijk tot ineffectief beleid (Mazzucato 2008). Om te zorgen voor coherent en aanvullend integratie- en ontwikkelingsbeleid moeten beleidsmakers deze kloof overbruggen en vanuit een transnationaal perspectief de levens van migranten begrijpen, net als hun redenen om contact te blijven houden met hun landen van herkomst. Uiteindelijk is het kiezen voor transnationale betrokkenheid niet een gegeven, maar een keuze die afhankelijk is van een set contextuele en complexe factoren die migranten kunnen aanmoedigen of ontmoedigen om betrokken te raken bij ontwikkelingsinspanningen in hun landen van herkomst.

 

1Zie: Assisted Voluntary Return Programs,Transfer of Knowledge Through Expatriate Nationals (TOKTEN) Program, Qualified Expatriate Somali Technical Support-MIDA Program.

 
  1. Al-Ali, N., R. Black en K. Koser (2001) The limits to ‘transnationalism’: Bosnian and Eritrean refugees in Europe as emerging transnational communities, Ethnic and Racial Studies, 24(4): 578-600.
  2. Bilgili, Ö. (2014) Migrants’ Multi-Sited Social Lives. Comparative Migration Studies, 2(3): 283-304.
  3. Bilgili, Ö. (2015) Economic Integration to Send Money Back Home? Journal of Immigrant & Refugee Studies, 13(4): 379-400.
  4. Bilgili, Ö. (2016) A new strategy: coherent and complementary integration and development policies. Migration Policy Practice, 4(1): 16-21.
  5. Bilgili, Ö. en M. Siegel (2015a) The Netherlands Country Report. IS Academy Project Output. Maastricht: Maastricht Graduate School of Governance.
  6. Bilgili, Ö. en M. Siegel (2015b) To return permanently or to return temporarily? Explaining migrants’ intentions. Migration and Development, DOI: 10.1080/21632324.2015.1088241.
  7. Bloom, T. en R. Feldman (2011) Migration and citizenship: rights and exclusions. Rethinking International Development Series, 36: 36-60.
  8. Faist, T. (2010) Towards transnational studies: world theories, transnationalisation and changing institutions. Journal of Ethnic and Migration Studies, 36(10): 1665-1687.
  9. Guarnizo, L., A. Portes, en W. Haller (2003) Assimilation and transnationalism: determinants of transnational political action among contemporary migrants. American Journal of Sociology, 108(6): 1211-1248.
  10. Itzigsohn, J. en S. Saucedo (2002) Immigrant incorporation and sociocultural transnationalism. International Migration Review, 36(3): 767-798.
  11. Koser, K. (2007) Refugees, Transnationalism and the State. Journal of Ethnic and Migration Studies, 33(2): 233-254.
  12. Levitt, P. (1998) Social remittances: Migration driven local-level forms of cultural diffusion, International Migration Review, 32(4): 926-948.
  13. Levitt, P. (2003) Keeping feet in both worlds: transnational practices and immigrant incorporation in the United States. In: C. Joppke en E. Morawska (red.) Toward assimilation and citizenship: immigrants in liberal nation-states, Basingstoke: Palgrave Macmillan, 177-194.
  14. Levitt, P. (2008) Taking Culture Seriously: Unexplored Aspects of the Migration-Development Nexus, SSRC Migration and Development Conference Paper No. 13.
  15. Levitt, P. en N. Glick Schiller (2004) Conceptualizing simultaneity: A Transnational Social Field Perspective on Society. International Migration Review, 38(145): 595-629.
  16. Levitt, P. en D. Lamba-Nieves (2011) Social remittances revisited. Journal of Ethnic and Migration Studies, 37(1): 1-22.
  17. Lindley, A. (2009) The early-morning phonecall: remittances from a refugee diaspora perspective. Journal of Ethnic and Migration Studies, 35(8): 1315-1334.
  18. Mazzucato, V. (2005) The study of transnational migration: reflections on a simultaneous matched sample methodology, paper presented at the SSRC, ESRC, and IOM-OM conference on ‘Migration and development within and across boarders’ held at the Century Association, New York, 17-19 November.
  19. Mazzucato, V. (2008) The double engagement: transnationalism and integration. Journal of Ethnic and Migration Studies, 34(2): 199-216.
  20. Morawska, E. (2004) Exploring diversity in immigrant assimilation and transnationalism: Poles and Russian Jews in Philadelphia. International Migration Review, 38(4): 1372-1412.
  21. Portes, A. (2003) Conclusion: theoretical convergences and empirical evidence in the study of immigrant transnationalism. International Migration Review, 37(3): 874-892.
  22. Sana, M. (2005) Buying membership in the transnational community: Migrant remittances, social status, and assimilation. Population Research and Policy Review, 24: 231-261.
  23. Snel, E., G. Engbersen, G. en A. Leerkes (2006) Transnational involvement and social integration. Global Networks, 6(3): 285-308.
  24. Sturge, G., Ö. Bilgili en M. Siegel (2016) Migrants’ capacity as actors of development: do skills matter for economic and social remittances? Global Networks, Article first published online: 2 March 2016. DOI: 10.1111/glob.12117.
 

Özge Bilgili is universitair docent aan de Faculteit voor Sociale Wetenschappen aan de Universiteit Utrecht. Ze ontving een Thomas J. Alexander fellowship aan de Education and Skills Department van de OESO en werkt op dit moment als associated researcher voor het Strength through Diversity Project. Haar expertise ligt bij de integratie van immigranten, sociale cohesie, transnationalisme, onderwijsonderzoek en beleidsanalyse. Ze werkte ook uitgebreid aan migratie- en ontwikkelingskwesties, onvrijwillige migratie, terugkeer en reintegratie-onderzoek. Sinds 2016 is Özge Bilgili hoofd van de Dutch Association for Migration Research (DAMR) en sterk betrokken bij andere academische netwerken. Ze is een co-coördinator van de IMISCOE Standing Committee on Interactions of Migrant Integration and Transnationalism in Europe (IMITE) en een affiliated researcher aan de United Nations University-Merit. Als universitair docent aan de Universiteit Utrecht is ze onderdeel van het European Research Centre on Migration and Ethnic Relations (ERCOMER). Özge Bilgili is daarnaast regelmatig betrokken bij opdrachtonderzoek voor nationale overheden en internationale organisaties (IOM, UNHCR, MPI, MPG en SDC). Ze werkt aan de opbouw van maatschappelijke capaciteiten en deelt onderzoeksresultaten met uitvoerders, beleidsmakers en academici. Voor meer informatie en publicaties: www.ozgebilgili.com. E-mail: [email protected]